Het Hof van Justitie velde eind vorig jaar een belangrijk arrest in het kader van detachering van uiterst mobiele werknemers in het internationaal wegvervoer. Het Hof verduidelijkt het concept van de ‘voldoende nauwe band met het grondgebied’ waarnaar de werknemer wordt gezonden. Door een strikte interpretatie van het begrip zullen veel werknemers niet als gedetacheerd worden beschouwd. Bijgevolg zullen zij ook niet de bescherming en voordelen op sociaalrechtelijk vlak ontvangen zoals voorzien overeenkomstig de Detacheringsrichtlijn.

Op 1 december 2020 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een belangrijk arrest (HvJ 1 december 2020, nr. C-815/18, Federatie Nederlandse Vakbeweging/Van den Bosch Transporten BV e.a.) geveld over de toepassing van de Detacheringsrichtlijn (Richtl. 97/71/EG van 16 december 1996 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten) in het kader van internationaal wegvervoer.

De Detacheringsrichtlijn is van toepassing op de in een lidstaat gevestigde onderneming die in het kader van transnationale dienstverrichtingen werknemers ter beschikking stelt op het grondgebied van een andere lidstaat, en waarborgt de bescherming van die ter beschikking gestelde werknemers tijdens hun detachering door het vaststellen van bindende bepalingen inzake de arbeidsvoorwaarden en de welzijnsbescherming die moeten worden nageleefd.

In de zaak die voorlag werden werknemers van een tot eenzelfde concern behorende Duitse en Hongaarse vennootschap ter beschikking gesteld van een Nederlandse zusteronderneming. Hoewel het transport voornamelijk buiten het grondgebied plaatsvond, begon en eindigde het doorgaans wel in Nederland.

De Nederlandse vakbond FNV was dan ook van mening dat het om gedetacheerde werknemers ging waarvoor de arbeidsvoorwaarden naar Nederlands recht, zoals vervat in collectieve arbeidsovereenkomsten, moesten worden nageleefd.

FNV trok naar het gerecht. In het licht van die juridische procedure werden uiteindelijk een aantal prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om duidelijkheid te verkrijgen over de toepassing van Europese regelgeving, onder meer over de voorwaarden om te kunnen spreken van detachering in internationaal wegvervoer.

Het voornaamste punt in het dossier betreft het gebruik en de toepassing van het concept van de ‘voldoende nauwe band met het grondgebied van de lidstaat waarnaar wordt gedetacheerd’.

Het Hof bouwt in zijn beoordeling verder op hetgeen bepaald werd in het Dobersberger-arrest (HvJ 19 december 2019, C-16/18, Michael Dobersberger/Magistrat der Stadt Wien). In het arrest, waarbij het eveneens om zeer mobiele werknemers ging, werd voor een eerste maal het concept van de ‘voldoende nauwe band’ in het kader van detachering gehanteerd. Er werd beslist dat een werknemer niet op het grondgebied van een lidstaat kan worden gedetacheerd indien de uitoefening van zijn werkzaamheden geen voldoende band vertoont met het grondgebied.

In het dossier van FNV verduidelijkt het Hof de invulling van het concept. Zo stelt het Hof dat bij de beoordeling ervan rekening moet worden gehouden met de kenmerken van de dienstverrichting waarvoor de werknemer wordt ingezet en de aard van de werkzaamheden die de werknemer op het grondgebied verricht. Specifiek voor mobiele werknemers, zoals chauffeurs tewerkgesteld in het internationaal vervoer, moet rekening worden gehouden met de mate waarin de werkzaamheden van de werknemer verband houden met het grondgebied en het aandeel van de werkzaamheden op het grondgebied in de dienstverrichting als geheel (daarbij zijn laden/lossen van goederen, onderhouden/schoonmaken van werkvoertuigen relevant indien volbracht door de chauffeur zelf).

Wanneer een werknemer zeer beperkte diensten verricht op het grondgebied van de lidstaat waarnaar hij wordt gezonden, wordt hij niet beschouwd als ‘ter beschikking gesteld’. Net zoals in het arrest Dobersberger, stelt het Hof dat de doorreis op een grondgebied van een lidstaat onvoldoende is. Hetzelfde geldt voor een chauffeur die enkel grensoverschrijdend vervoer verricht vanuit de lidstaat waar de vervoersonderneming is gevestigd naar het grondgebied van een andere lidstaat of omgekeerd. Ook de situatie die voorlag, met name waarin een chauffeur, ter beschikking gesteld door een onderneming (Duitsland of Hongarije) aan een in een andere lidstaat gevestigde onderneming (Nederland), de instructies ontvangt en zijn opdrachten begint en eindigt op het hoofdkantoor van deze laatste onderneming, is volgens het Hof op zich ontoereikend, indien het werk dat de chauffeur op basis van andere factoren geen voldoende nauwe band vertoont met dat grondgebied. Cabotageactiviteiten, ongeacht de duur, vertonen die nauwe band echter wel.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, wordt een zeer groot gewicht gegeven aan de beoordeling van de ‘nauwe band’. Het feit dat vennootschappen tot eenzelfde concern behoren, doet geen afbreuk aan de verplichting de ‘nauwe band’ na te gaan en is op zich onvoldoende om die band te bewijzen.

Met de invoering van het concept ‘voldoende nauwe band met het grondgebied van de lidstaat’ in het Dobersberger-arrest werd de deur tot discussie over het toepassingsgebied van de Detacheringsrichtlijn geopend. Het arrest in het dossier van FNV toont aan dat de rechtspraak niet terugdeinst een enge interpretatie te geven aan de invulling van dergelijke band. De abstractheid van het begrip zorgt niet enkel voor rechtsonzekerheid, maar kan en zal ook misbruik in de hand werken, met alle gevolgen van dien … Het begrip ‘nauwe band’ wordt nu in het kader van detachering van uiterst mobiele werknemers gehanteerd, toch is het niet gezegd dat het enkel bij die sector blijft.