de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

Helft metallo’s aan de slag in onwerkbare job

De Stichting Innovatie & Arbeid, het onderzoekscentrum van en voor de sociale partners in de SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) maakte onlangs de nieuwe cijfers inzake ‘werkbaar werk’ bekend. De Vlaamse sociale partners hebben er immers samen met de Vlaamse regering een prioriteit van gemaakt om meer mensen langer aan het werk te houden. Maar als dat de doelstelling is, dan moet het werk ook werkbaar zijn. 

Om het label ‘werkbaar werk’ te krijgen moet er aan vier voorwaarden worden voldaan: het werk mag niet leiden tot (problematische) werkstress, de combinatie werk & privé moet in evenwicht zijn, het werk moet voldoende leermogelijkheden bieden en het moet motiverend blijven. Volgens die criteria verdient iets meer dan 54 % van de jobs in Vlaanderen het label. De metaal ligt net onder dat Vlaams gemiddelde met 52 % werkbare jobs.

Is het glas nu halfvol dan wel halfleeg? Soms vertellen absolute cijfers veel meer dan percentages. Op een totale werkgelegenheid van 2,5 miljoen betekent die 54 % dat meer dan één miljoen werknemers GEEN werkbare job hebben. Op een totale tewerkstelling van 220.000 in al onze metaalsectoren komt dat neer op iets meer dan 100.000 werknemers. Dit zijn ronduit onthutsende cijfers. Bij de ongeschoolde arbeiders is het aandeel werkbare jobs bovendien nog veel lager (37 %). Bij ongeschoolde en geschoolde arbeiders blijkt trouwens dat naast stress ook de leermogelijkheden problematisch zijn.

Niet alleen in Vlaanderen, maar in de meeste Europese landen wordt de werkbaarheid van onze jobs ‘gemeten’. De Europese Commissie heeft een speciaal agentschap voor de meting van de kwaliteit van arbeid (European Agency for Safety and Health at Work). Uit onderzoek van deze instelling blijkt dat 25 % van de werknemers ‘baanonzeker’ is. Men heeft met andere woorden wel werk, maar tegelijk heeft men het gevoel dat hun job in gevaar zou kunnen zijn. Dat is een subjectief gevoel, maar gestoeld op een objectieve realiteit. Baanonzekerheid is dan ook de meest voorkomende oorzaak van werkgerelateerde stress in Europa (72 %) Dat is ook zo in België, met alle gevolgen voor het individueel welzijn en voor de samenleving in haar geheel.

Daarom moet voor ons een nieuw industriebeleid de werknemers centraal stellen. Elkeen recht op een volwaardige job. Een job die ongeacht de leeftijd, scholing en capaciteiten van de werknemer, werkbaar moet zijn en blijven. Dat is natuurlijk de verantwoordelijkheid van de werkgever, alsook van de overheid die hierrond een stimulerend beleid moet voeren. Tot slot is het evenzeer de plicht van een toekomstgerichte vakbond om van werkbaar werk een syndicale kerntaak te maken. Je kunt de problemen van meer dan één miljoen werknemers niet ongestraft negeren.

Herwig Jorissen
Voorzitter

Met (geacteerde) verontwaardiging kopen wij niets

Het is bijna één jaar geleden dat Ford aankondigde dat ze de vestiging in Genk – ondanks alle beloftes en akkoorden op papier – ging sluiten. De verontwaardiging  was groot. Alleen verontwaardiging duur zelden lang. Na een lange en voorbeeldige strijd werd er uiteindelijk bij Ford een sociaal akkoord gesloten. Daarin staat dat 1772 werknemers van 52 en plus worden opgevangen in het ‘stelsel van werkloosheid met toeslag’. Gemakshalve wordt dan gezegd ‘het vroegere brugpensioen’. Maar wel met dien verstande dat ze allemaal beschikbaar moeten blijven voor de arbeidsmarkt, opgeroepen en toegeleid naar een andere job kunnen worden. De commissie die de minister van Werk moest adviseren gaf UNANIEM (d werknemers- én werkgeversvertegenwoordigers) een positief advies. Minister De Coninck volgde dat unanieme advies.

De verontwaardiging bij de opiniemakers, gevolgd door de ‘usual suspects’ langs politieke zijde (Vlaams minister Muyters en minister van Pensioenen De Croo op kop)  was nu omgekeerd groot. Het leek wel of een bende profiteurs de kassa was gepasseerd van het kaliber van de bankierbonussen. Een klein maar misschien niet onbelangrijk verschil is dat de bankiers topbonussen ontvingen nadat ze de boel naar de knoppen hadden geholpen en al zeer vlug in even lucratieve jobs weer aan het werk waren.

De werknemers van Ford deden niets verkeerd, integendeel. Een paar jaar voor de aankondiging is de vestiging nog verkozen als de op één na beste Europese Ford-fabriek. De werknemers hadden niets liever gehad dan te kunnen blijven werken bij Ford. Als ze al opnieuw werk zullen vinden, zal dat waarschijnlijk tegen een lager loon zijn. Met de nadruk op ALS. Amper 6% van de nieuwe indiensttredingen zijn 50-plussers, amper 2% 55-plussers. Nergens in Europa zijn de  hertewerkstellingskansen van 50-plussers zo klein als in België. En dat is niet de verantwoordelijkheid van de werknemers of van de overheid, maar van de patroons.

In dezelfde afgelopen week kondigde de topman van Volvo Cars Group, Hakan Samuelsson, aan dat Volvo in Gent zal blijven. Ook al zijn we om evidente redenen op dat gebied behoorlijk cynisch en achterdochtig geworden, is dit goed nieuws. De topman noemde Gent tenslotte ‘onze grootste fabriek en een belangrijke vestiging’. Natuurlijk komt niets voor niets. ‘Ik ben ervan overtuigd dat de fabriek in Gent de uitdaging aanneemt en weet dat de concurrentiekracht en kostenverlagingen de enige garantie zijn voor een toekomst van de fabriek.’ De vakbonden hebben dat al lang begrepen en doen er alles aan om de vestiging in Gent mee-concurrentieel te houden. Maar de topman van Volvo Cars zei ook dat ‘het belangrijk is dat de fabriek in Gent de uitdagingen aangaat en snel handelt. De toestand bij andere merken toont dat dat nodig is. Daarom is volledige steun en begrip van de politiek nodig.’ Alleen bleef het doodstil langs die kant. Het is natuurlijk makkelijker om Ford-werknemers te schofferen dan om zelf iets te doen. Laat het gejammer achteraf dan ook maar achterwege, want daarmee kopen we niets. Evenmin met de geacteerde verontwaardiging als de camera’s lopen.

Wat wel zou kunnen helpen, is dat elke politicus die oren en poten aan zijn lijf heeft iets voor onze industrie en voor onze werknemers zou doen. Nadat uiteraard het levensbelangrijke probleem van ‘naar welke zoo de panda’s mogen gaan’ van de baan is.

Herwig Jorissen
Voorzitter

Discriminaties afgeschaft - Apartheid weg

Vrijdag 4 juli 2013 werd geschiedenis geschreven. Met de wet van 10 maart 1900 verkregen de arbeiders na een lange sociale strijd een minimale wettelijke bescherming. De bedienden waren uitgesloten van deze wet en werden geacht voldoende dicht bij de werkgever te staan en daardoor afdoende in staat om voor hun eigen  belangen op te komen. Op 7 augustus 1922 kregen ook de bedienden hun eigen wet op de arbeidsovereenkomst. Maar een wet met een andere finaliteit “de wet van 1922 heeft aan de bediende zulk een voordelig statuut toegekend, in hoofdzaak met het doel hem los te rukken van de arbeidersklasse, om het onderscheid te bestendigen tussen de werknemer met de hoed en de werknemer met de pet, en om te voorkomen dat de eerste zou aansluiten bij de vakbeweging.” Het resultaat was dat diegene die oorspronkelijk werden geacht geen wettelijke bescherming nodig te hebben, uiteindelijk de meest verregaande bescherming genoten.  Met de (huidige) wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten werden wel een aantal stappen in de goede richting gezet, maar ze bestendigde in feite de historisch gegroeide ongelijkheid tussen arbeiders en bedienden. De sociale apartheid werd in keurige wetten gegoten.

ABVV-Metaal (voorheen de CMB) heeft steeds deze flagrante discriminatie aangeklaagd en gepleit voor gelijkheid: voor één werknemersstatuut. Consequent, tientallen jaren, congres na congres. We waren roepende in de woestijn. Ook binnen het ABVV, waar men niet veel verder ging dan hoogstens wat lippendienst bewijzen aan de arbeiders. Het bewijs werd interprofessioneel akkoord na interprofessioneel akkoord geleverd. Ondanks alle mooie woorden op papier om een einde te maken aan de ongelijke behandeling slaagden de sociale partners er niet in om ook maar enige vooruitgang te boeken.

We wisten nochtans dat we het gelijk aan onze kant hadden. Het Arbitragehof oordeelde in twee arresten (8 juli 1993 en 21 juni 2001)  dat het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden de toets van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel uit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zou doorstaan. In 1996 veroordeelde de Raad van Europa België, omdat de minimumopzegtermijnen van de arbeiders te kort waren. Bovendien hebben alle EU-landen, met uitzondering van Griekenland, het onderscheid tussen een arbeiders- en bediendestatuut afgeschaft.

Gelukkig voor ons was er het Grondwettelijk Hof, dat na een prejudiciële vraag van de arbeidsrechtbank van Brussel, in een arrest van 7 juli 2011 van oordeel was dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de opzeggingstermijnen en de carenzdagen voor arbeiders in strijd zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het Hof gaf  de wetgever twee jaar de tijd (uiterlijk tot 8 juli 2013) om een einde te maken aan deze discriminatie. De inspanningen die de wetgever en de sociale partners tot dan geleverd hadden, waren, volgens het Hof, onvoldoende.

732 dagen had men dus om een einde te maken aan de discriminatie. Vanaf die dag begon de klok op onze website te tikken. En de dagen tikten weg zonder dat er veel bewoog bij de sociale partners. Zoals al die jaren voorheen geraakte men geen stap verder. Ondertussen naderde de deadline van het Grondwettelijk Hof met rasse schreden. Alleen zo verdeeld als de sociale partners waren over  het arbeiders- en bediendestatuut, zo verdeeld leek ook de politiek te zijn, waardoor de B-H-V van het sociaal overleg niet opgelost dreigde te geraken. Sommigen hoopten daar misschien ook stilletjes op.

Tot drie vrouwen tijdens een laatste marathononderhandeling besloten om deze afspraak met de geschiedenis niet te missen. Na 27 uur heen en weer peddelen slaagden minister van Werk, Monica De Coninck, haar kabinetschef, Eva Van Hoorde en de kabinetschef van de premier, Yasmine Kherbache, erin om een historisch compromis op tafel te leggen: de carenzdag wordt afgeschaft en de opzegtermijn van de arbeiders en de bedienden zal voortaan gelijk zijn. Natuurlijk moet er nog heel wat technisch verder uitgewerkt worden, maar het feit is er: twee van de meest flagrante discriminaties worden afgeschaft.

Natuurlijk is dit een compromis, maar het is een compromis dat mag gezien worden. ABVV-Metaal feliciteert daarom iedereen die dit resultaat mede tot stand heeft helpen brengen. We zijn er trots op dat drie socialistische vrouwen dit gerealiseerd hebben. De juridische chaos is vermeden. De arbeiders krijgen eindelijk waar ze recht op hebben. Er is voor gezorgd dat onze industrie niet verder in gevaar komt. Er zit een visie achter die maakt dat hiermee de basis wordt gelegd voor een nieuw statuut voor een moderne arbeidsmarkt.

ABVV-Metaal heeft onze socialistische politica bedankt met drie boeketten van 62 rode rozen (voor 62 weken opzeg bij een anciënniteit van 20 jaar). We hebben voor in onze fabrieken een affiche gemaakt om iedereen te bedanken die geholpen heeft om een einde te maken aan deze apartheid. We bedanken met name onze arbeiders en militanten voor de jarenlang volgehouden strijd. Nu het dossier van de opzeg en de carenzdag geregeld is, is de klok op onze website stilgevallen. Maar even vastberaden zijn we om nu ook de andere verschillen versneld aan te pakken. ABVV-Metaal zal de strijd voor één werknemersstatuut daarom met des te meer volharding voortzetten.

We wensen iedereen een prettige vakantie wat des te beter zal lukken, nu sedert 4 juli de zon voor iedereen een beetje meer schijnt.

Herwig Jorissen
Voorzitter

ONGECENSUREERD: Omdat we blijven geloven in de kracht van DOOR EN DOOR ROOD

Bij het begin van de politieke rentree maken de media duidelijk dat het een druk najaar zal worden. Er is de begroting, de uitwerking van het eenheidsstatuut, het pact tussen de federale en regionale regeringen dat de concurrentiekracht van ons land moet verhogen... Allemaal onderwerpen die ook voor ons als vakbond cruciaal zijn en die op de één of andere manier ook hun sporen zullen nalaten in (de voorbereiding voor) ons tweede Statutaire Congres op 21 en 22 november in Genk. Met ‘Vakbond 2.0 voor een nieuwe industrialisering’ focussen we op - voor de vakbond en de metaal in het bijzonder - twee zeer belangrijke thema's.

Ook al zijn er de eerste tekenen van een licht herstel van onze economie, het feit blijft dat de  metaalindustrie sedert 2008  zwaar te lijden heeft gehad onder de financieel-economische crisis. Het is vijf voor twaalf voor een nieuw industrieel beleid. Bij de aankondiging van de 'machts'wissel bij Bekaert stelde CEO Bert de Graeve dat ‘we alles op alles moeten zetten om de industrie in dit land te houden, hoe moeilijk dat ook is’. En hij vroeg zich af of onze regeringen bereid zijn om die keuze te maken en om de consequenties hiervan te nemen. Het is misschien niet aan Bekaert om onze regeringen de les te spellen en het is des te meer cynisch omdat op hetzelfde moment blijkt dat er in heel België niemand geschikt gevonden werd om de nieuwe CEO te worden. Dat neemt evenwel niet weg dat de  boodschap maar al te correct is. Toch moeten we niet alleen onze industrie hier houden (dat is het dringende werk op korte termijn), we moeten vooral duurzame en toekomstgerichte  keuzes maken die onze industrie een langetermijnperspectief geven. Als we enkel proberen hier te houden wat hier al is, zullen we altijd achter de feiten aanhollen. Ook daarover gaat ons Congres.

In die 'nieuwe' industrie' zullen alle werknemers werknemers zijn met hetzelfde statuut. De afgelopen statutaire periode hebben we campagne gevoerd onder het motto ‘Het is vijf voor twaalf voor het opheffen van de discriminatie tussen arbeiders en bedienden, voor één statuut voor alle werknemers’. Op de valreep zorgde minister van Werk Monica De Coninck met de Groep van 10 ervoor dat de eerste belangrijke horde (de opzegtermijnen en carenzdag) werd genomen. We zullen de komende maanden dubbel zo alert moeten zijn. De principes moeten in correcte wetteksten worden omgezet. Maar vooral moeten we erover waken, nu de druk van de deadline van het Grondwettelijk Hof weg is,  dat er wordt voortgedaan en dat er zo snel mogelijk werk wordt gemaakt van 1 statuut voor alle werknemers. Er zijn er genoeg, ook binnen het ABVV, die er alles zullen aan doen om dit tegen te werken. Ook daarover gaat ons Congres.

Ten slotte was er de studie van het CRISP waaruit bleek dat het ABVV bij de sociale verkiezingen op een historisch dieptepunt zit. Ook al zeggen zo'n algemene cijfers niet veel, het antwoord van het ABVV waarbij men verwijst naar het toenemende aantal kmo's en  herstructureringen in sectoren waar het ABVV traditioneel sterk staat, is niet echt geruststellend. Integendeel, want dat wil eigenlijk zeggen dat het er voor de toekomst zeer beroerd uitziet.

Hetzelfde kan worden gezegd van de opwerping dat het ABVV veel werklozen telt en dat de macht van een vakbond niet alleen wordt afgemeten aan de uitslag van de sociale verkiezingen maar ook aan het aantal leden (dat wel nog steeds in stijgende lijn zit). Al was het maar dat op een bepaald moment iemand met minder goede bedoelingen zich misschien gaat afvragen of het toeval is dat de Europese landen met de hoogste syndicalisatiegraad (Zweden, Denemarken, Finland en België) ook de enige landen zijn waar de vakbond fungeert als uitbetalingsinstelling voor werkloosheid. Als we een representatieve vakbond willen blijven, moeten we ons ook dat soort vragen durven stellen en met een open geest op zoek gaan naar antwoorden. Ook daarover gaat ons Congres.
Het wordt dus een zwaar najaar voor de regering(en). Het wordt ook een zwaar najaar voor ons. En dan moeten de sectorale onderhandelingen nog beginnen. Maar het is een najaar dat we met vertrouwen tegemoet zien. Omdat we geloven in de kracht van DOOR EN DOOR ROOD.
Herwig Jorissen
Voorzitter

Het edito in de Werker werd door het ABVV gecensureerd. De onderstreepte passage werd eigenhandig toegvoegd en de vette passages warden weggelaten.

De rekening van vernietigde hoop

Op 7 juli 2011 gaf het Grondwettelijk Hof de regering en de sociale partners twee jaar de tijd om een oplossing te zoeken voor de discriminatie van de arbeiders inzake opzegtermijnen en carenzdagen. Twee jaar waarin eerst de regering niets deed, omdat de sociale partners van oordeel waren dat zij dit dossier moesten oplossen. Iets waar ze de decennia daarvoor niet in staat toe te waren. Zo deden de sociale partners aanvankelijk wat ze in dit dossier al altijd gedaan hebben: niets. In de stille hoop dat het op het laatste moment toch nog allemaal goed zou komen. Niet dus. En dus schoven ze de hete aardappel met veel plezier door naar de regering. Deze kaatste de bal terug door de sociale partners twaalf vragen te presenteren en ze duidelijk de les te spellen. “Als men een dossier dat uitdrukkelijk tot de bevoegdheid van de sociale partners behoort, niet kan oplossen, wat voor nu heeft het interprofessioneel overleg dan nog?” Ook nu slaagden de sociale partners er niet in om tot een antwoord te komen.

Twee weken voor het verstrijken van de deadline, kwam de voorzitter van de Groep van Tien doodleuk vertellen in de media dat men een versnelling hoger zou moeten gaan indien men nog tot een oplossing wilde komen. “Maar dat het omwille van agendaproblemen moeilijk is om een gaatje te vinden.” Eén van de belangrijkste sociale dossiers dat rechtstreeks gevolgen heeft voor miljoenen werknemers. En de sociale partners vinden niet de nodige tijd om te onderhandelen. Met deze onverantwoorde houding neemt de Groep van Tien een verpletterende verantwoordelijkheid op zich. Welk ook de uitkomst zal zijn. Wat de regering ook zal beslissen of niet beslissen. Welke chaos zich na 8 juli ook zal voltrekken. De echte verantwoordelijkheid ligt bij de Groep van Tien. Wie in twee jaar tijd (en dan zwijgen we over de jaren daarvoor) niet tot een oplossing kan komen, moet niet klagen dat ze de laatste twee weken te weinig tijd hebben.

Als klap op de vuurpijl benoemde daarna de regering een bemiddelaar, Jan Smets, directeur bij de Nationale bank, om vakbonden en werkgevers te helpen om tot een akkoord te komen. "Jan Smets zal de komende week de gesprekken faciliteren", was het nieuwe toverwoord.  We hopen echt dat de bemiddelaar er in zal slagen om met een resultaat op de proppen te komen. Alleen kunnen we niet anders dan constateren dat nu alle puzzelstukken gelegd moeten worden, dixit de Minister van Werk, er blijkbaar bij de Groep van Tien niemand is die kan of durft puzzelen. Het mandaat van Jan Smets loopt tot vrijdag. Als zijn mandaat ten einde is en als deze Werker in de bus valt, rest er nog iets meer dan een week om de deadline van het Grondwettelijk Hof (8juli) te halen.

Voor het Grondwettelijk Hof moet er einde komen aan de discriminaties. Congres na congres heeft duidelijk gemaakt hoe belangrijk het dossier van het werknemersstatuut is voor ABVV-Metaal. Desondanks hebben we ons de afgelopen maanden low-profile opgesteld naar de buitenwereld. Net om de sociale partners en de regering de mogelijkheid te geven om tot een oplossing te komen. Al hadden we in de een wat meer vertrouwen dan in de ander. De uitspraak van het Grondwettelijk Hof was voor ons en de arbeiders een hoopvol moment. Maar als eenmaal 8 juli gepasseerd is, is het momentum voorbij. De ene wil die klip nemen in de hoop dat van uitstel toch weer afstel komt. De ander wil die nemen en hoopt om zijn gelijk te halen voor de rechtbanken. Al heeft ook dat veel weg van Russische roulette spelen.

Maar iedereen moet zich wel één ding realiseren. Als ook deze deadline nog maar eens passeert. Of als alles in een onooglijk compromis op de lange baan wordt geschoven.  Als ook nu weer de arbeiders niet zouden krijgen waar ze recht op hebben: gelijkheid. Dan komt er moment dat zowel de sociale partners als de regering de rekening van vernietigde hoop zullen gepresenteerd krijgen.

Herwig Jorissen

Voorzitter