de voorzitter

De Voorzitter gaat de dialoog aan. Het gedacht van Georges De Batselier.

 

Voor werkbare cao’s in de metaal

Het is december en we zitten voor onze sectorale onderhandelingen nog altijd niet verder dan de eerste rondes. We zitten midden de CAO-periode 2013-2014 en in geen enkele sector is momenteel concreet zicht op een akkoord. Ik denk niet dat we deze situatie al ooit hebben meegemaakt. Tegen de tijd dat de teksten van de akkoorden zullen uitgeschreven zijn, kunnen we, bij wijze van boutade, beginnen onderhandelen voor het akkoord 2015-2016.
 
Dat het moeilijke onderhandelingen gingen worden, wisten we. In de nasleep van de ergste financieel-economische crisis is het nooit makkelijk onderhandelen. Maar het zijn deze keer wel zeer ‘vreemde’ onderhandelingen geworden. In de mate dat je nog van onderhandelingen kan spreken. Enerzijds zorgt de loonblokkering ervoor dat er geen enkele marge is. Want behalve CAO 90 en het aanvullend pensioenfonds is er niets mogelijk. Anderzijds hebben de patroons de uitbreiding van de flexibiliteit al op een dienblad aangeboden gekregen. Met andere woorden ‘neen’ zeggen volstaat voor de patroons. Zij hebben toch al wat ze moeten hebben. Het zijn onderhandelingen die we moeten voeren met de handen gebonden. Het komt erop neer dat we eigenlijk nog net onze handtekening mogen zetten.
 
Vandaar dat we er alles aan doen om minstens op het vlak van het aanvullend pensioen een doorbraak te realiseren. Nu dreigen we in een situatie te verzanden waarbij het de arbeiders en enkel de arbeiders zijn die de rekening van de crisis moeten betalen. De patroons hebben hun verlanglijstje binnen en de bedienden hebben naast de index tenminste nog hun baremieke verhogingen.
 
Bovendien hebben we ons niet alleen geconcentreerd op kwantitatieve, maar ook op kwalitatieve eisen. In onze congresresolutie was er bijzondere aandacht voor werkbaar werk. ABVV-Metaal heeft nu een sectoraal model uitgewerkt en dat eveneens op de onderhandelingstafel gelegd. Meer informatie hierover vind je hiernaast. Werkbaar werk is niet een issue van ‘oudere’ werknemers. Werkbaar werk is een loopbaanplanning voor alle werknemers. De vraag is dus of de patroons bereid zijn om concreet mee te denken met de werknemers hoe we dat kunnen organiseren. Of moeten we er nog eens aan herinneren dat volgens de recente cijfers van de Stichting Innovatie & Arbeid meer dan 47 procent van de metaalarbeiders geen werkbaar werk hebben?
Er is dus voorlopig dus misschien weinig reden om te feesten. Maar laat ons dat toch maar doen. We wensen dan ook al onze leden een degelijk akkoord (in de mate van het mogelijke), een goede werkbare job en vooral geen verdere herstructureringen en/of sluiting. En misschien wel het belangrijkste van al, straks bij de overgang van oud naar nieuw: een goede gezondheid.
 
Herwig Jorissen
Voorzitter

Van uitdaging naar verandering

Vorige week hield ABVV-Metaal zijn tweede Statutair Congres op de oude mijnsite van Winterslag op amper een paar kilometer van Ford. Bijna alsof een industrieel verhaal daar een einde kende. We maakten er de balans op van de afgelopen vier jaar waarin we in het oog zaten van een van de ergste economische financiële stormen. Vier jaar waarin de maakindustrie in het algemeen en de metaal in het bijzonder enorme klappen hebben gekregen. Bijna 30.000 jobs gingen verloren: van de strijd om Opel tot de sluiting van Ford, grote multinationals, kleine KMO’s, herstructureringen, regelrechte sluitingen, maar altijd voor diegene die het meemaakt, de klap, het ongeloof, de pijn, de ontreddering.
 
Op die plek hebben we de vraag gesteld die onze afgevaardigde en volksvertegenwoordiger Meryame Kitir in die vreselijke Ford-week in de Kamer aan premier Di Rupo stelde: ‘En nu?’. En die vraag gaat zowel over onze industrie als over onszelf, de vakbond. We hebben duidelijk gesteld dat onze industrie een toekomstgerichte transitie moet doormaken om voor de welvaart van de volgende generaties te kunnen blijven zorgen. 
 
Maar geldt hetzelfde niet voor onszelf? Zijn onze structuren en onze middelen nog goed genoeg om de belangen van de werknemers adequaat te kunnen behartigen? Bij de sociale verkiezingen gaat ruimschoots 80 procent van de stemgerechtigde arbeiders stemmen. Bij de jongeren is dat iets meer dan 30 procent. We kunnen dat, gemakshalve, op de jongeren steken en zeggen dat ze het niet begrepen hebben. Of hebben wij het niet begrepen en houden ze ons misschien een spiegel voor? Met de opportuniteiten die het eenheidsstatuut met zich meebrengt zal de vraag zijn of we naar een nieuwe structuur gaan, ook binnen het ABVV? Wordt dat er één die de bestaande machtsverhoudingen binnen de oude structuur  consolideert? Of zullen we een structuur uittekenen die het lid centraal stelt en die ervoor zorgt dat we ook voor de werknemers van morgen nog die rode representatieve vakbond blijven? Het eerste is allicht makkelijker dan het eerste, maar het tweede, heeft ons Congres duidelijk gesteld, is wat nodig is.
 
Een kleine 200.000 werknemers werken in zo’n 10.000 metaalbedrijven. Meer dan 90 procent van die bedrijven stellen minder dan 50 werknemers tewerk, dikwijls zonder vakbondsvertegenwoordiging. Ook de metaal is in dat opzicht een KMO-land. Maar drie vierde van die 200.000 werkt wel in een bedrijf met meer dan 50 werknemers, dus met een verkozen syndicale vertegenwoordiging. En 55 procent van de tewerkstelling vindt plaats in 113 bedrijven met meer dan 250 werknemers. Het is onze sterkte en onze zwakte. We zullen moeten communiceren met die werknemers in bijna 90 procent van de bedrijven waar we niet binnen zijn. Dat is de uitdaging. Maar we bereiken wel 75 procent van de werknemers. En met de mobilisatiekracht van de metallo’s kunnen we zorgen voor verandering: in de industrie, in onze bedrijven en in onze syndicale aanpak. Van uitdaging naar verandering, dat is waar het de komende vier jaar om gaat.
 
Herwig Jorissen
Voorzitter
 
Alle info / verslagen / ... vind je op de congreswebsite www.abvvmetaalcongres.be

Sectoronderhandelingen dan toch eindelijk van start

In de meeste van onze sectoren zijn de onderhandelingen voor een nieuwe cao eindelijk van start gegaan. De eisenbundels zijn neergelegd, het tijdspad is uitgestippeld. In normale omstandigheden waren de onderhandelingen begin dit jaar opgestart en waren ze al lang rond geweest. De reden waarom het zo lang geduurd heeft, had alles te maken met het arbeiders- en bediendestatuut. Zolang er geen duidelijkheid was over wat er zou gebeuren naar aanleiding van de deadline inzake opzegtermijnen en carenzdag die het Grondwettelijk Hof had opgelegd, wilden de patroons niet aan tafel gaan zitten. Nu de wetsontwerpen klaar en nieuwe regelingen in de maak zijn, kunnen we eindelijk beginnen.
 
Een ding is hoe dan duidelijk. Het zullen geen ‘normale’ sectorale onderhandelingen worden. De regering heeft immers de loonmarge vastgesteld op 0 %. We kunnen dus niet vrij onderhandelen over zulk een essentiële materie als lonen. We zijn het oneens met deze inmenging in het sociaal overleg, maar het betekent ook dat we des te nauwgezetter onze prioriteiten zullen moeten definiëren:
 
-Het is van het grootste belang om onze sociale fondsen als element van solidariteit en herverdeling van de welvaart stevig te verankeren, mede met het oog op het eenheidsstatuut o.a. door werkgeversbijdragen van bepaalde duur te bestendigen naar onbepaalde duur; 
-De oude brugpensioenregelingen (nu spreken we over ‘stelsel met werkloosheidstoeslag’ ofwel SWT) moeten we maximaal verlengen, aangezien de sectorale en bedrijfscao’s met gunstige leeftijdsvoorwaarden eind 2014 verdwijnen (57 jaar mits 38 jaar loopbaan wordt 60 jaar). We moeten ook een sectorale SWT afsluiten voor SWT zware beroepen (58 jaar mits 35 jaar loopbaan);
-We moeten inzetten op een verhoging van de bijdrage voor het Pensioenfonds, want dat is ongeveer het enige dat buiten de 0-norm valt;
-We moeten een sectoraal kader uitwerken voor de ‘werknemer in moeilijkheden’ om de job in de metaalsector werkbaar te maken en te houden gedurende de hele loopbaan, met bijzondere aandacht voor de oudere werknemers;
-Het recht op 4/5-landingsbaan voor werknemers met een loopbaan van 28 jaar moeten we invoeren;
-We ijveren voor de uitbouw en versterking van de opleidingsfondsen o.m. in functie van de grotere vraag naar een outplacementpakketten (in het kader van het eenheidsstatuut).
 
Ook zonder loonnorm valt er dus nog over heel wat te onderhandelen, evenwel goed wetende dat op de achtergrond heel de relancediscussie speelt. Hoe houden we de MAAK- en HERMAAKsector competitief? Hoe zorgen we ervoor dat onze maakindustrie niet verder in de verdrukking komt? Allemaal belangrijke uitdagingen voor onze sectoren. Alle sociale partners hebben er belang om deze uitdagingen tot een goed einde te brengen.
 
Herwig Jorissen
Voorzitter

Vakbond 2.0 voor een nieuwe industrialisering

Op 21 en 22 november – midden in de klimaatweek – houdt ABVV-Metaal in Genk zijn tweede Statutair Congres op de oude mijnsite van Winterslag. In 1917 werd daar voor het eerst in Limburg steenkool naar boven gehaald. En op een steenworp van het congrescentrum rolt straks de laatste auto van de band bij Ford Genk. Het lijkt wel het verhaal van een halve eeuw industriële ontwikkeling. Het lijkt bijna – na alle klappen – alsof dat verhaal een einde lijkt te kennen. 
 
Het is een feit dat in 1970 veertig procent van de actieve bevolking in de industrie werkte en vandaag nog zo’n twintig procent. Desondanks zijn we ervan overtuigd dat deze voortschrijdende desindustrialisering geen natuurwet is. Het is bovendien ook zo dat landen die hun industriële basis kwijtraken economisch slechter presteren. Ze missen export, waardoor hun handels- en financiële balans verzwakt en dus ook hun economische draagkracht. Hoe breder de economische basis, hoe meer een overheid kan uitgeven. De industrie vormt de basis van de economische piramide. De industrie is en blijft de basis van onze welvaart.
 
Het is mede onze taak om de erosie van ons  industrieel weefsel met alle middelen tegen te houden. In dat kader moeten we ook aan de kost denken. Niet alleen aan de loonkost, ook aan de energie- en grondstoffenkost. Zelfs dat zal niet volstaan. Nee, om onze welvaart te behouden is een nieuwe industrialisering nodig, maar binnen een context van duurzame ontwikkeling.
 
De maatschappelijke uitdagingen waarvoor we staan, vragen grote inspanningen op vlak van energie en brandstof, klimaatverandering, waterschaarste … Specifiek voor de metaalsector is er de grondstoffenschaarste: naar alle verwachtingen zal de vraag naar grondstoffen de volgende 20 jaar met 55 procent toenemen. Op korte termijn (tegen 2015!) verwacht men een risico voor een vijftal metalen en op middellange termijn (2020) voor een viertal andere metalen. Dit risico geldt niet alleen voor de productie in een bedrijf, maar ook voor de machines die nodig zijn om te kunnen produceren in het eigen bedrijf, stroomopwaarts of –afwaarts. Voor onze sectoren gaat het dan om meer dan 460 bedrijven. De bedreiging die schuilt in de schaarste van een aantal metalen/materialen kunnen en moeten we met behulp van technologische en systeeminnovatie en met kennisdeling ombuigen tot een opportuniteit: bouwen aan een nieuw industrieel ecosysteem met oog voor een gezonde economie, kwaliteitsvolle (volwaardige en  werkbare) jobs in een slimme, innovatieve productie en logistieke omgeving en een zo klein mogelijk negatieve klimaat- en  milieu-impact. 
 
Zo’n transitie is niet mogelijk zonder een zo groot mogelijk draagvlak in de sectoren en in de bedrijven. Werken aan dat draagvlak en de aanzet voor deze oefening – welke transitie is er nodig om een duurzaam industrieel beleid te ontwikkelen binnen de metaalsectoren? – is de opdracht voor ons tweede Statutair Congres. Het begin schrijven van een nieuw industrieel verhaal.
 
Herwig Jorissen
Voorzitter

Relance: Nu gerichte maatregelen voor maakindustrie

De regering-Di Rupo bereikte onlangs een akkoord over een aantal relancemaatregelen. De extra middelen die werden gereserveerd kwamen neer op een 150 miljoen euro. Samen met de maatregelen die voor de zomer werden beslist, gaat het om 260 miljoen euro extra.  Volgens de werkgeversfederaties is dat alles de moeite niet waard. Geen relance noch plan, aldus Agoria. De regering wees er terecht op dat, eerdere ingrepen meegerekend, er voor volgend jaar sprake is van meer dan 1,1 miljard euro extra om de economie, de bedrijven en de koopkracht te ondersteunen. Maar (meer dan) één miljard euro is slechts kleingeld voor UNIZO-verdwaasden die echt hadden gedacht dat er ineens zeven miljard zou op tafel worden getoverd.
 
Desalniettemin is 2013 het zoveelste moeilijke jaar op rij voor de (technologische maak)industrie. Ondanks een lichte verbetering in het tweede kwartaal verwacht Agoria dat de activiteit in 2013 opnieuw met 3,5 procent zal dalen. Ook de daling van de werkgelegenheid houdt aan in de technologische industrie: tussen december 2008 en december 2013 zullen 37.000 banen verdwenen zijn. Voor 2013 verwacht Agoria dat er 3 procent oftewel 9.000 banen minder zullen zijn in de technologische industrie. Dat zijn geen cijfers om vrolijk van te worden. Er is daarom inderdaad een relanceplan specifiek voor de (technologische maak)industrie nodig. En dringend. En dan kom je uit bij de kostendiscussie. Niet alleen de loonkost, ook de energiekost en de grondstoffenkost. 
 
Uit een studie – uitgevoerd in het kader van ons tweede Statutair Congres in november – blijkt overduidelijk dat (op korte en middellange termijn ) de bevoorrading van onze sector met fossiele brandstoffen en zeldzame aardmetalen een ernstige bedreiging vormt voor een verdere duurzame industriële ontwikkeling. Die schaarste zal de prijzen omhoog jagen en industriële productie nog duurder maken en aldus in het gedrang brengen. Voor de industrie is energie een van de belangrijkste kostenposten, in sommige gevallen zelfs 60 à 70 procent van de totale kostenstructuur. Ook op dat terrein kunnen de verschillende regeringen de nodige maatregelen treffen. En in derde orde is er inderdaad het loonkostdebat. Na alle expertiserapporten is er op politiek niveau, zoals bij de sociale partners, nog steeds geen akkoord over de proportie die deze handicap zou aannemen. Wel is iedereen het erover eens dat er de handicap een feit is. De extra maatregelen die hieromtrent werden genomen komen vooral de KMO’s ten goede. Er is niets mis mee om specifieke maatregelen te treffen voor bepaalde doelgroepen of KMO’s. Ook in de metaalsectoren zijn er heel wat kleine ondernemingen actief. De realiteit is echter dat 5 procent van alle metaalbedrijven (= bedrijven met meer dan 50 werknemers) verantwoordelijk zijn voor 77 procent van de tewerkstelling in de metaal. Of om te demonstreren hoe kwetsbaar onze tewerkstelling is: 1 procent van de metaalbedrijven (= bedrijven met meer dan 250 werknemers) is verantwoordelijk voor 55 procent van de tewerkstelling. Daarom hebben we – ook op het gebied van de loonkost – nood aan maatregelen waarvan al onze bedrijven de vruchten kunnen plukken. Dat is niet alleen een kwestie van behouden wat je behouden kan. Een nieuwe industrialisering bouw je op de fundamenten van de vorige, niet op de ruïnes ervan.
 
De verschillende politieke partijen (op één na) zeggen allemaal dat ze in 2014 gaan voor een sociaaleconomische regering zonder staatshervorming. Het is goed om de prioriteiten te stellen. Alleen is het de vraag of onze industrie het nog rekt tot na de volgende verkiezingen. Hoog tijd om kort(er) op de bal te spelen.
 
Herwig Jorissen
Voorzitter