De wet legt 10 feestdagen per jaar vast waarop je niet moet werken:

  • Nieuwjaar
  •  Paasmaandag
  •  Feest van de Arbeid
  •  Hemelvaartsdag
  •  Pinkstermaandag
  •  Nationale feestdag
  •  Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart
  •  Allerheiligen
  •  Wapenstilstand
  •  Kerstmis

Valt een feestdag samen met een zondag of een dag waarop gewoonlijk niet wordt gewerkt (een zaterdag bijvoorbeeld), dan moet ze worden vervangen door een dag waarop gewoonlijk wel wordt gewerkt. De vervangingsdag wordt bepaald:

  •  hetzij door het bevoegde paritair comité;
  •  hetzij door de ondernemingsraad;
  •  hetzij door de syndicale delegatie;
  •  hetzij in overleg tussen werkgever en werknemer.

Zo niet, wordt ze vervangen door de eerste dag die volgt de feestdag waarop in de onderneming gewoonlijk wordt gewerkt.

Je werkgever is verplicht vóór 15 december van elk jaar een gedagtekend en ondertekend bericht uit te hangen met de vervangingsdagen van de feestdagen.

Werk je toch op een feestdag, dan moet je je inhaalrust nemen binnen de 6 weken na de feestdag. Wie meer dan 4 uur heeft gepresteerd op een feestdag, krijgt een volledige dag van inhaalrust. Voor prestaties van minder dan 4 uur heb je recht op minstens een halve dag inhaalrust voor of na 13 uur. Bovendien mag er op die dag niet langer dan 5 uur worden gewerkt.